Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 mei 2016

Onder 2.11. Gerechtshof Den Haag 17 mei 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1350.

13. Ook de stelling van de gemeente c.s. dat de lengtescheur “op het oog” kleiner is dan een centimeter en dat de breedte van die scheur in elk geval veel smaller is dan een fietsband, zodat er geen risico’s waren te duchten van vastraken of klemzitten van de band in de lengtescheur, volstaat niet om de conclusies van Meuwissen te weerleggen. Naar het oordeel van het hof kan, gezien de overgelegde foto’s van de scheur in het wegdek, bepaald niet worden uitgesloten dat een fietsband (althans op enig punt in de betrokken lengte van circa 5 meter) in die scheur terecht kan komen. Echter, ook indien dit niet het geval zou zijn, kan dat de hiervoor genoemde conclusies van Meuwissen niet ontkrachten. Zoals de gemeente c.s. zelf stelt (memorie van antwoord onder 100), rept Meuwissen immers niet van het gevaar dat een fietsband in de scheur terecht kan komen of daarin “vast kan komen te zitten”. Hij wijst daarentegen op het specifieke gevaar dat het wiel “gaat zoeken” door de onregelmatige vorm en diepte van de scheur, dat dit instabiele gedrag (al) begint aan de start van de oneffenheid (het begin van de circa 5 meter lange scheur, hof) en dat de fiets hierdoor in onbalans raakt. Juist die onbalans bij het rijden over de scheur (niet een eventueel “vast zitten” van het wiel in de scheur) vormt volgens Meuwissen het gevaar (dat volgens hem nog wordt vergroot als er met lage snelheid wordt gereden en/of als er iemand achterop de fiets meerijdt). Nu het gevaar dus niet is gelegen in het eventueel vast komen te zitten van een fietswiel in de scheur, is verder niet van belang dat niet meer vastgesteld kan worden dat sprake zou zijn van enige “dwarsonvlakheid” van de scheur (zoals door de gemeente c.s. bedoeld 102). In dit verband bezien, is de verwijzing in het rapport van Meuwissen naar de vermelding “matig” in de CROW-richtlijn (tabel 3.1. Ernst van scheurvorming bij asfaltbetonverhardingen) bovendien niet als doorslaggevend te beschouwen. Meuwissen wijst er overigens nog uitdrukkelijk op dat de indeling in ernstklassen voor fietsverkeer anders moet worden geïnterpreteerd dan voor autoverkeer, in die zin dat wat voor autoverkeer als minder ernstig c.q. gevaarlijk kan worden gezien, voor eensporige voertuigen als fietsen juist wel ernstig/gevaarlijk is (zie p. 11 van zijn rapport). Dat Meuwissen met betrekking tot de vorm van de scheur de term “boogvorm” hanteert, doet overigens - anders dan de gemeente c.s. meent - niet af aan zijn conclusies, nu hij daarmee onmiskenbaar doelt op het (duidelijk op die foto’s zichtbare) grillige (slingerende/ meanderende) verloop van de scheur in de lengterichting. Dat hij juist op dit grillige patroon doelt, blijkt immers uit het door hem met een gele stippellijn gemarkeerde, slingerende verloop van de scheur zoals is te zien op de foto geplaatst op p. 8 van zijn rapport.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd6fe83a9aee98cc7db2cc7e956a51567146a3be4cea17392f171e1f6e776316. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd6fe83a9aee98cc7db2cc7e956a51567146a3be4cea17392f171e1f6e776316, en de alinea staat in dat document op bytes 35585 tot 38515.