Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 februari 2016
Alinea 44 Gerechtshof Den Haag 17 februari 2016
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1392.
6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 821 lid 1 Rv kan ieder der echtgenoten in zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 en 823 Rv vragen. Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Nu bij de bestreden beschikking ten laste van de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 2.082,- per maand is toegekend met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en ter terechtzitting is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 30 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kan een voorlopige partneralimentatie ingevolge artikel 822, lid 1, sub e Rv niet langer worden verzocht. Nu de vrouw mitsdien geen gebruik meer kan maken van voornoemde wettelijke mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige partneralimentatie gedurende de echtscheidingsprocedure is het hof van oordeel dat het haar vrij staat een incidenteel verzoek te doen tot het treffen van een partneralimentatie voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 Rv. Het andersluidende betoog van de man, verwerpt het hof dan ook. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Hoge Raad bij zijn uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen, daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. De Hoge Raad heeft dan ook geoordeeld dat ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek kan worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding overeenkomstig hetgeen artikel 223 Rv bepaalt voor dagvaardingsprocedure. Het hof is van oordeel dat uit de uitspraak van de Hoge Raad niet kan worden afgeleid dat een incidenteel verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen alleen kan worden gedaan in verzoekschriftprocedures, die geen zaak van echtscheiding en scheiding van tafel en bed betreffen. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5875f1567d70584fad2dc9d2fdec9650d26bab634676a4b18042ee4bcdf2bcd6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5875f1567d70584fad2dc9d2fdec9650d26bab634676a4b18042ee4bcdf2bcd6, en de alinea staat in dat document op bytes 15168 tot 17713.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5875f1567d70584fad2dc9d2fdec9650d26bab634676a4b18042ee4bcdf2bcd6 | shasum -a 256