Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 februari 2016
Alinea 46 Gerechtshof Den Haag 17 februari 2016
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1392.
8. Het hof stelt bij de beoordeling van het verzoek voorop dat ingevolge artikel 223 lid 1 Rv iedere partij tijdens een aanhangig geding kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. Verder heeft te gelden dat het algemene vereiste voor toewijsbaarheid van een provisionele voorziening, dat de verzoekende partij bij zijn vordering belang heeft, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een provisionele voorziening op grond van artikel 223 Rv, leidt tot het vereiste dat de verzoeker in die zin belang bij het verzoek moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer op grond van eindbeslissingen in de hoofdzaak al vast staat dat het provisioneel gevorderde uiteindelijk in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Daarnaast moeten de belangen van partijen worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5875f1567d70584fad2dc9d2fdec9650d26bab634676a4b18042ee4bcdf2bcd6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5875f1567d70584fad2dc9d2fdec9650d26bab634676a4b18042ee4bcdf2bcd6, en de alinea staat in dat document op bytes 17866 tot 18982.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5875f1567d70584fad2dc9d2fdec9650d26bab634676a4b18042ee4bcdf2bcd6 | shasum -a 256