Citaat | Gerechtshof Den Haag 24 mei 2016
Alinea 41 Gerechtshof Den Haag 24 mei 2016
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 24 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1467.
9. Alles afwegende moet ook in hoger beroep de conclusie zijn dat - er van uitgaande dat de voorrangsregel van art. 10.8 BPR hier niet van toepassing is - de ernst van de verwijten die aan elk van de schepen kunnen worden gemaakt niet wezenlijk verschilt, waardoor beide schepen geacht moeten worden voor de helft schuldig te zijn aan de aanvaring. Voor een andere, voor [geintimeerde c.s.] gunstigere schuldverdeling bestaat geen goede grond. Haar beroep wordt dan ook verworpen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/87829d306e71e3874027f6a571a0ca623550d297491eee8ae9bd9d81b8979539. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 87829d306e71e3874027f6a571a0ca623550d297491eee8ae9bd9d81b8979539, en de alinea staat in dat document op bytes 22346 tot 22840.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/87829d306e71e3874027f6a571a0ca623550d297491eee8ae9bd9d81b8979539 | shasum -a 256