Citaat | Gerechtshof Den Haag 31 mei 2016

Alinea 62 Gerechtshof Den Haag 31 mei 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1539.

14. Ten aanzien van het eerste spoor overweegt het hof dat bevoegdheid tot het gelasten van de gevorderde voorlopige maatregelen kan worden ontleend aan artikel 2 omdat gedaagde Biomet in Nederland is gevestigd. Vervolgens rijst evenwel, gelet op artikel 27 Brussel I-Verordening en de in Duitsland lopende (bodem)procedures, een aantal vragen, te weten (i) of artikel 27 van toepassing is in het eerste spoor, zoals door de Hoge Raad is aangenomen ten aanzien van de overeenstemmende bepalingen in het Verdrag van Lugano, Trb. 1989, 58, in zijn arrest van 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1545 (Spray/Telenor) (zie echter ook Magnus/Mankowski (red.), Brussels I bis Regulation , München 2016, p. 794 e.v.), en – indien dat inderdaad het geval is – (ii) of in dit verband relevant is of sprake is van doorkruisende voorlopige maatregelen (vgl. genoemd arrest Spray/Telenor: conclusie A-G onder 18 en de annotaties P. Vlas in NJ 2002/563 en M.V. Polak in AAe 2003, p. 123-124), en – indien dat het geval is – (iii) of in dit geval sprake is van dergelijke doorkruisende maatregelen, en – indien dat het geval is – (iv) of toepassing van artikel 27 in het onderhavige geval leidt tot blokkering van de aan artikel 2 ontleende bevoegdheid (aanhouding dan wel onbevoegdheid). Deze laatste vraag op zichzelf lijkt bevestigend te moeten worden beantwoord gelet op de in de overwegingen 2.10 en 2.11 bedoelde procedures waarin het au fond gaat om de vraag naar de reikwijdte van het arrest van het OLG Frankfurt. Over de centrale procedure in deze zaak – de bodemprocedure waarin het OLG Frankfurt op 5 juni 2014 arrest wees en waarin een verzoek tot Revision hangt – merkt het hof op dat enerzijds, zo bleek ten pleidooie in hoger beroep, tussen partijen in confesso is dat deze procedure naar Duits recht als aanhangig moet worden beschouwd, doch dat anderzijds [appellante] in die procedure geen partij is, HvJ EG 6 december 1994, C-406/92, ECLI:EU:C:1994:400 (Tatry). De vraag of de Nederlandse rechter in het onderhavige geval zijn bevoegdheid kan gronden in het eerste spoor kan evenwel in het midden blijven omdat, zoals hierna wordt overwogen, bevoegdheid in ieder geval kan worden gegrond in het tweede spoor.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0f03f5f4bf729c0eb1a6ff4a362daaa1fc10e4344834064d3b86cf040d7f5b14. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0f03f5f4bf729c0eb1a6ff4a362daaa1fc10e4344834064d3b86cf040d7f5b14, en de alinea staat in dat document op bytes 24342 tot 26818.