Citaat | Gerechtshof Den Haag 31 mei 2016
Onder 3.3. Gerechtshof Den Haag 31 mei 2016
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 31 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1596.
4. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bij afdoening van het bezwaar- en beroepschrift, faalt. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak dient te worden voorondersteld dat overschrijding van de redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, een vorm van immateriële schade die in beginsel gecompenseerd dient te worden. De redelijke termijn is door de Hoge Raad in beginsel gesteld op twee jaar te rekenen van af het moment van instellen van het bezwaar, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in de onderhavige zaak echter geen grond voor schadevergoeding. Daartoe overweegt de rechtbank, dat ingevolge artikel 30, achtste lid, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar op een bezwaarschrift, dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid van de Algemene Wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak doet in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Met deze bepaling heeft de wetgever voor zaken als de onderhavige de mogelijkheid geschapen om een langere beslistermijn te hanteren dan neergelegd in de Awb. De wetgever heeft met het stellen van deze langere termijn voor bezwaar rekening willen houden met de “piekbelasting”, die de afhandeling van de grote stroom van bezwaarschriften in het kader van de Wet WOZ voor de gemeenten betekent (vgl. Rechtbank Breda, 25 mei 2012, nr. 11/679, ECLI:RBBRE:2012:BX4353, NTFR 2012/2169). De rechtbank oordeelt, dat dit een bijzondere omstandigheid is als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, in samenhang met het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4468 alsmede de uitspraak van Hof Den Bosch, ECLI:NL:GHSHE:2013:6032. Het bezwaarschrift is ingekomen op 25 februari 2013. De uitspraak op bezwaar is genomen op 27 december 2013. De redelijke termijn voor het afhandelen van een bezwaarschrift als bedoeld in de hiervoor geldende jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Vervolgens heeft [belanghebbende] op 5 februari 1014 beroep ingesteld en de uitspraak van de rechtbank dateert van 8 juli 2015. Gelet hierop is ook de redelijke termijn die aan de rechtbank is gegund van anderhalf jaar, niet overschreden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2c22fdbf31339f75c863061a251e84ac7d6deb46709af6e96a9c374ae03b184e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2c22fdbf31339f75c863061a251e84ac7d6deb46709af6e96a9c374ae03b184e, en de alinea staat in dat document op bytes 17557 tot 19927.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2c22fdbf31339f75c863061a251e84ac7d6deb46709af6e96a9c374ae03b184e | shasum -a 256