Citaat | Gerechtshof Den Haag 28 januari 2016

Alinea 64 Gerechtshof Den Haag 28 januari 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 28 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:164.

De Hoge Raad overweegt allereerst (rov. 3.1.) dat de vraag wanneer van medeplegen (de nauwe en bewuste samenwerking) mag worden gesproken zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval vergt, en dat daarom algemene regels dienaangaande niet kunnen worden gegeven. Deze overweging kan ongetwijfeld op begrip rekenen. Het is niet voor niets dat ook de wetgever van 1886, oog hebbend voor de soms complexe casuïstiek, zich heeft onthouden van een definiëring van deze vorm van deelneming en de invulling daarvan aan de vrijheid van rechtspraak en wetenschap heeft gelaten. Klaarblijkelijk heeft de Hoge Raad evenwel gemeend toch enige aandachtspunten met betrekking tot dit leerstuk te moeten formuleren. Hoewel de Hoge Raad de toevoeging “mede gelet op zijn eerdere rechtspraak” niet nader expliceert, duidt zij er reeds op dat hij een halt wil toeroepen aan het ruime werkingsbereik van medeplegen waarvan voordien, ook in de rechtspraak van de Hoge Raad zelf, sprake was en aldus het onderscheid met de andere deelnemingsvormen, meer in het bijzonder met medeplichtigheid, wenst aan te scherpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c52211296c5ab229302c9f51f783a0250dc73e1b00c4790b55a80fb4f855247b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c52211296c5ab229302c9f51f783a0250dc73e1b00c4790b55a80fb4f855247b, en de alinea staat in dat document op bytes 27563 tot 28742.