Citaat | Gerechtshof Den Haag 7 juli 2016

Onder 9.2 Gerechtshof Den Haag 7 juli 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 7 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1978.

Met de invoering van voorbereidingshandelingen in artikel 96 lid 2 Sr is door de wetgever destijds een belangrijke stap gezet en is het oorspronkelijke wetboek van strafrecht principieel ingrijpend veranderd. Waar eerder ten aanzien van de staatsveiligheid het nodig werd gevonden om samenspanning tot een staatsveiligheidsdelict strafbaar te stellen om zo vroegtijdig ingrijpen mogelijk te maken, zijn in 1920 aan de strafbare samenspanning andere strafbare voorbereidingshandelingen toegevoegd die de deelnemingscomponent van de samenspanning ontberen, eveneens met als doel vroegtijdig ingrijpen mogelijk te maken. De wetsgeschiedenis leert dat het parlement beducht was voor een al te grote reikwijdte van artikel 96 lid 2 Sr maar stemde uiteindelijk met het wetsvoorstel in nadat duidelijk was dat het bij de strafbare voorbereidingshandelingen telkens niet ging om de voorbereiding van staatkundige veranderingen in algemene zin, maar er uitdrukkelijk sprake moest zijn van de aanwezigheid van het oogmerk bij de dader op het plegen van een concreet misdrijf. Het soort misdrijf moet derhalve vaststaan maar uit de parlementaire geschiedenis kan voorts worden geconcludeerd dat dat misdrijf ook naar tijd en plaats tot op zekere hoogte geconcretiseerd moet zijn. De toenmalige minister van Justitie Heemskerk sprak over een “concreten voorgenomen aanslag” waarbij werd beoogd “de grondwettigen regeeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen”. Hij merkt in dat verband voorts op dat die “daden gericht moeten zijn op een concreet aangewezen misdrijf”. Dat wordt in de Handelingen in andere bewoordingen meermalen herhaald, waarbij wordt gesteld dat het moet gaan om een "bepaalden revolutieaanslag (...) een concrete revolutiedaad" en niet om een zich in het algemeen voorbereiden op de revolutie. Daarmee is volgens het hof bedoeld te zeggen dat het bij artikel 96 lid 2 Sr gaat om het oogmerk op een bepaald strafbaar feit, waarbij op twee manieren eisen kunnen worden gesteld aan de concreetheid van dat strafbaar feit. Enerzijds moet het gaan om een zodanig concreet strafbaar feit dat vastgesteld moet kunnen worden dat het gaat om een misdrijf waarvan de voorbereiding of bevordering strafbaar is gesteld als bedoeld in artikel 96 lid 2 Sr, anderzijds moet het feit ook naar tijd en plaats en mogelijk naar de wijze van uitvoering enigszins concreet zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/21c67b8f0494eccb4a2b1c3a01d60111eab530cc0a14266540f929dc1a6e3db5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 21c67b8f0494eccb4a2b1c3a01d60111eab530cc0a14266540f929dc1a6e3db5, en de alinea staat in dat document op bytes 73233 tot 75958.