Citaat | Gerechtshof Den Haag 10 mei 2016

Alinea 30 Gerechtshof Den Haag 10 mei 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 10 mei 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2075.

In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft geen schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin zijn er door of namens hem ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. In dat geval kan het namens de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betreft echter een discretionaire bevoegdheid van het hof. Het hof kan ambtshalve beslissen de zaak wél inhoudelijk te behandelen, indien het daartoe aanleiding ziet. Ter beoordeling van deze beslissing heeft het hof het volgende in ogenschouw genomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5806fb83c258dd7ac8cb87d3f3a2b14e938991f6224c48ba8c9ebd5cfe9bf359. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5806fb83c258dd7ac8cb87d3f3a2b14e938991f6224c48ba8c9ebd5cfe9bf359, en de alinea staat in dat document op bytes 14620 tot 15343.