Citaat | Gerechtshof Den Haag 23 februari 2016
Alinea 34 Gerechtshof Den Haag 23 februari 2016
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 23 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:294.
8. Wanneer de huurder van [geïntimeerde] de benadeelde zou zijn geweest, had de Staat hem 100% eigen schuld kunnen tegenwerpen ter afwering van zijn vergoedingsplicht. De Staat verbindt daaraan, en aan de ratio van artikel 6:101, tweede lid BW, de conclusie dat voor een toepassing van de billijkheidscorrectie die ertoe leidt dat de Staat aan [geïntimeerde] toch enige schade moet vergoeden, geen ruimte meer is. De Staat voert in dit verband onder meer aan dat uit artikel 6:101, tweede lid BW volgt dat in het kader van de billijkheidscorrectie geen omstandigheden (meer) mogen worden meegewogen die zich hebben voorgedaan aan de zijde van de benadeelde, in dit geval [geïntimeerde] . Het hof verwerpt dat betoog omdat het zich niet verhoudt tot het uitgangspunt dat de schade van [geïntimeerde] buiten zijn normale maatschappelijke risico of zijn normale bedrijfsrisico valt en dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt. Dit uitgangspunt sluit aan bij het oordeel in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BJ1708, NJ 2010, 95). Wanneer het standpunt van de Staat zou worden gevolgd, betekent dit een zodanige uitholling van het égalité-leerstuk dat het in veruit de meeste gevallen voor een verhuurder die zich buiten zijn schuld geconfronteerd ziet met een huurder die strafbare handelingen verricht en aldus schadetoebrengend handelen van de overheid uitlokt, feitelijk illusoir wordt. Het hof is van oordeel dat aan de ratio van artikel 6:101, tweede lid BW, die conclusie niet kan worden verbonden. In het bijzonder kan ook uit die ratio niet worden afgeleid dat in een geval als dit de derde en de benadeelde ook voor de toepassing van de billijkheidscorrectie, zoals uit het standpunt van de Staat voortvloeit, als het ware met elkaar vereenzelvigd moeten worden. Artikel 6:101, eerste lid BW laat immers toe “andere omstandigheden van het geval” in aanmerking te nemen en niet goed is in te zien waarom de omstandigheid dat een verhuurder geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag van zijn huurder, of de keuze voor een bepaalde huurder, niet een dergelijke omstandigheid is. De tekst van het artikel dwingt in ieder geval niet tot die conclusie en ook het reeds genoemde arrest van 2 oktober 2009 dwingt niet tot de door de Staat getrokken conclusie, aangezien die tegenstrijdig zou zijn met de aanvaarding in datzelfde arrest van het égalité-beginsel in een zaak die in de kern vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Het primaire standpunt van de Staat wordt aldus verworpen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/23a3e2f8902c6b1756c24cf06ab0cfdc51af6018c149de670f46a66e26311aa4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 23a3e2f8902c6b1756c24cf06ab0cfdc51af6018c149de670f46a66e26311aa4, en de alinea staat in dat document op bytes 13905 tot 16489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/23a3e2f8902c6b1756c24cf06ab0cfdc51af6018c149de670f46a66e26311aa4 | shasum -a 256