Citaat | Gerechtshof Den Haag 26 oktober 2016

Alinea 58 Gerechtshof Den Haag 26 oktober 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 26 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3298.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderljke gevallen sprake kan zijn. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder roekeloos” – in de betekenis van “onberaden” - wordt verstaan (zie o.m. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1772). Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt verder dat om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet1994, de rechter zodanige feiten en omstandigheden zal moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn (zie o.m. HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1772).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e1d830b598b92c5d0dce3ed5ee6333c1316af4afe368e1dfd46b3af25c2dfb28. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e1d830b598b92c5d0dce3ed5ee6333c1316af4afe368e1dfd46b3af25c2dfb28, en de alinea staat in dat document op bytes 19440 tot 20475.