Citaat | Gerechtshof Den Haag 4 november 2016

Onder 6.5. Gerechtshof Den Haag 4 november 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 4 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3374.

Mede bezien in het licht van de in het genoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven verklaring voor recht ter beantwoording van de tweede prejudiciële vraag, overweegt het Hof met betrekking tot het thans nog tussen partijen bestaande geschilpunt als volgt. Hoezeer de Hoge Raad in punt 2.4. van het arrest van 18 maart 2016, nr. 11/02825bis, zonder dat overigens inhoudelijk te verklaren, zich van een andere terminologie bedient, neemt het Hof bij de beoordeling van het geschil als uitgangspunt dat volgens de bewoordingen van de verklaring voor recht het in dezen aan het Hof staat een belastingplichtige in het kader van een intracommunautaire levering de toepassing te weigeren van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde, ook indien de nationale wet niet voorziet in bepalingen van die strekking, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in het kader van een keten van leveringen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fdd057a33edf8a7a945520df06d83f42abaac19855d3b4d94b65dc7fdb79346. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fdd057a33edf8a7a945520df06d83f42abaac19855d3b4d94b65dc7fdb79346, en de alinea staat in dat document op bytes 51492 tot 52697.