Citaat | Gerechtshof Den Haag 30 maart 2016

Alinea 225 Gerechtshof Den Haag 30 maart 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 30 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:851.

Tot slot is het hof van oordeel dat het handelen van de infiltranten ook geen strijd oplevert met de door de verdediging besproken jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Immers, genoegzaam is komen vast te staan dat de opzet van verdachte (“predisposition”) reeds gericht was op het plegen van strafbare feiten. Anders dan de raadsman meent is de vraag of betrokkene ‘ had started acting upon his latent criminal intent before the investigation ’ alleen dan een relevant element als niet kan worden vastgesteld dat er voorafgaand aan de undercoveroperatie een (objectieve) verdenking bestond dat een persoon betrokken is geweest in strafbare activiteiten of een predispositie had om soortgelijke strafbare feiten te plegen (vgl. r.o. 56 Ramanauskas v. Lithuania, EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9ff1963dc99c05ea5757920a59b5635faa68d317c513cc715e203d30821a2557. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9ff1963dc99c05ea5757920a59b5635faa68d317c513cc715e203d30821a2557, en de alinea staat in dat document op bytes 58283 tot 59169.