Citaat | Gerechtshof Den Haag 23 maart 2016

Alinea 61 Gerechtshof Den Haag 23 maart 2016

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 23 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:945.

10. In de loop van het geding heeft eiser een nader stuk ingediend en daarin onder meer verklaard dat de andere bestanddelen van zijn vermogen vermogenswinsten kunnen opleveren, zodat daar geen sprake is van een substantieel te hoog forfaitair rendement. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit tot geen andere conclusie leiden dan dat het primaire standpunt van eiser, waarbij de belasting over het gehele bisb zou worden verminderd tot nihil, faalt. Op grond van hetgeen is overwogen in 8 en 9 is de rechtbank van oordeel dat ook eisers subsidiaire standpunt faalt. Het robuuste karakter van de wettelijke regeling brengt mee dat geen rekening wordt gehouden met verschillen in het rendement van verschillende vermogensbestanddelen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser beschikt over een vermogen van ongeveer € 1,8 miljoen, dat voor het overgrote deel in korte tijd kan worden omgezet in contanten, en dat eiser in het onderhavige jaar een biww genoot van € 146.921. Onder die omstandigheden is een bedrag aan belasting van € 16.536 bezwaarlijk aan te merken als een individuele buitensporige last.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/675dc2d2e1f975d70cec5d19f22c32a05e0d2c14d983d37decbaff8e3b9fa34b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 675dc2d2e1f975d70cec5d19f22c32a05e0d2c14d983d37decbaff8e3b9fa34b, en de alinea staat in dat document op bytes 22748 tot 23883.