Citaat | Gerechtshof Den Haag 25 april 2017

Onder 2.9 Gerechtshof Den Haag 25 april 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 25 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1035.

[appellant] stelt niet dat hij opkomt ter bescherming van een eigen belang waarin hij kan worden getroffen, maar dat hij zo nauw betrokken is en is geweest bij het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld – te weten het bestedingsbeleid van de Stichting – dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Uit zijn eigen stellingen volgt dat zijn belang erin is gelegen dat hij bij de Stichting is betrokken in zijn hoedanigheid van lid van het ANV, van voormalig bestuurslid van het ANV en van bestuurslid van een afdeling van het ANV. Het hof is evenwel van oordeel dat nauwe betrokkenheid bij het ANV, voortvloeiend uit bedoelde lidmaatschappen, op zichzelf onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in een procedure tot het ontslag van het bestuur van de Stichting, wegens het bestedingsbeleid van de Stichting, ook al bestaat er een gedeeltelijke personele unie tussen het bestuur van de Stichting en het bestuur van het ANV. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden voor de door [appellant] verzochte ontbinding van de Stichting op grond van artikel 2:21 BW. Desgevraagd heeft [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep te kennen gegeven dat, hoewel hij ook het ANV verwijten maakt over de besteding van de gelden uit het Visser-fonds, de procedure uitsluitend is gericht tegen de Stichting. [appellant] is echter geen bestuurslid (geweest) van de Stichting. Het hof merkt – wellicht ten overvloede – nog op dat de onderhavige procedure zich ook niet leent voor het ter discussie stellen van het beleid van het ANV omdat [appellant] dat beleid binnen de vereniging (bijvoorbeeld als bestuurslid binnen het bestuur of als gewoon lid via de afdeling Nederland in de algemene ledenvergadering) aan de orde kon respectievelijk kan stellen, hetgeen hij overigens ook – zonder succes – heeft gedaan. De tussenconclusie is dat [appellant]’ (bestuurs)lidmaatschap van het ANV onvoldoende grond is om hem in deze procedure met betrekking tot de Stichting als belanghebbende in de zin van artikel 2:298 BW BW dan wel artikel 2:21 BW aan te merken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fe2ded4dc4a82600e432124345222f08a507db589f6cea026a5e0da70ed7d59. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fe2ded4dc4a82600e432124345222f08a507db589f6cea026a5e0da70ed7d59, en de alinea staat in dat document op bytes 17804 tot 19968.