Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 mei 2017

Alinea 64 Gerechtshof Den Haag 17 mei 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1594.

8. Het hof overweegt als volgt. Zoals door de Hoge Raad is overwogen dient voor de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] belang heeft bij zijn verzoek om vervangende toestemming tot erkenning, te worden beoordeeld of [geïntimeerde] de minderjarige op het moment dat deze door [appellant] is erkend, te weten op 21 maart 2012, al dan niet rechtsgeldig kon erkennen en [geïntimeerde] deswege in zijn belangen is geschaad. Artikel 1:204 lid 1, aanhef en onder e (oud) van het BW dat per 1 april 2014 is komen te vervallen bepaalt dat een erkenning nietig is “indien zij is gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij de rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen of dat tussen de man en kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6f2da4239bb4c00d16396a669695ebe935266cb54b68c74ddbb14049f4086eae. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6f2da4239bb4c00d16396a669695ebe935266cb54b68c74ddbb14049f4086eae, en de alinea staat in dat document op bytes 18788 tot 19731.