Citaat | Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017

Onder 3.3 Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:197.

Het hof overweegt dat gelet op het doel van de melding (ervoor zorgen dat het Bedrijfstakpensioenfonds zo spoedig mogelijk op de hoogte is van betalingsproblemen, zodat zij daarop kan inspelen, bijvoorbeeld door het treffen van een betalingsregeling) niet kan worden aanvaard dat nimmer van een geldige melding sprake kan zijn, als de hoogte van de pensioenbijdrage waarop de melding ziet, nog niet definitief vaststaat. Dat neemt niet weg dat een vroegtijdige melding alleen dan als melding in de zin van artikel 23 Wet Bpf kan worden aanvaard, als uit hieruit duidelijk blijkt dat gelet op de te verwachtte hoogte van de betalingsverplichting, (tijdige) betaling van die bijdrage is uitgesloten. De melding dient in ieder geval ook dan te zijn voorzien van een deugdelijke, op de situatie toegespitste, onderbouwing van de omstandigheden, waarom (tijdige) betaling niet mogelijk is. Dit volgt uit artikel 2, lid 3 van het Besluit waarin is bepaald: "Bij de mededeling (van betalingsonmacht, hof) wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden betaald." De enkele (algemene) mededeling dat bij de prijsstelling geen rekening is gehouden met de pensioenregeling is volstrekt onvoldoende. Het mag zo zijn, dan geen enkele onderneming het op lange termijn zal kunnen volhouden, indien de kosten (waaronder de pensioenpremie) en de baten (de prijsstelling) niet met elkaar in overeenstemming zijn, maar dat hoeft niet zonder meer te gelden voor een (relatief) korte disbalans tussen inkomsten en uitgaven. De brief van 31 maart 2011 geeft echter geen enkel inzicht in de financiële positie van de vennootschap. Daar komt bij dat de vennootschap de brief van 31 maart 2011 ook niet had geschreven als melding van betalingsonmacht. In de aanhef was niet vermeld: "inzake: melding betalingsonmacht" of iets van dien aard, maar "inzake: inschrijving …" . Gegeven die omschrijving, alsmede de inhoud van de brief, hoefde het Bedrijfstakpensioenfonds niet te begrijpen dat de vennootschap ook bedoelde een melding van betalingsonmacht in de zin van artikel 23 lid 2 Wet Bpf te doen. Het Bedrijfstakpensioenfonds was ook niet gehouden daarnaar navraag te doen. De omstandigheid dat Syntrus (Achmea) als pensioenuitvoerder van Stipp met gegevens van de vennootschap bekend was, maakt dit niet anders. Dit betekent dat de eerste grief faalt en de kantonrechter terecht is uitgegaan van het bewijsvermoeden dat de niet-betaling is te wijten aan Inbartère.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ade4beb1b25195c9070d2799b7e852b2b0407bd92e89d51b724e556e58fff129. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ade4beb1b25195c9070d2799b7e852b2b0407bd92e89d51b724e556e58fff129, en de alinea staat in dat document op bytes 14474 tot 17055.