Citaat | Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017

Onder 3.4 Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:197.

Met haar tweede grief komt Inbartère op tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld ter weerlegging van het vermoeden dat de non-betaling aan haar is te wijten. Inbartère meent dat zij voldoende heeft uiteengezet waarom de premies niet konden worden betaald: de werkgeverspremie van Bedrijfstakpensioenfonds was torenhoog, veel hoger dan bij Stipp (17% in plaats van 2,6%), daarnaast kende Stipp een wachttijd van 6 maanden; het werknemersdeel van de premie over 2010 (4,25%) kon niet meer bij de werknemers worden verhaald en de uitleentarieven stonden vast. Er was bovendien geen sprake van kwaad opzet, maar veeleer van onoplettendheid van een administratief medewerker die niet in de gaten had dat de norm voor aansluiting (percentage medewerkers uitgezonden in de vleessector) bij het Bedrijfstakpensioenfonds in de loop van 2010 werd overschreden. Dat is wat anders dan onbehoorlijk bestuur. Dit geldt te meer omdat Inbartère, toen er betaald moest worden (binnen 14 dagen na de premienota), geen (indirect) bestuurder meer was. In de tijd dat Inbartère bestuurder was, zijn er aan de vennootschap geen liquiditeiten onttrokken. Omdat er eind 2011/2012 nog een discussie speelde over de verplichting tot premiebetaling, heeft de registeraccountant het in zijn wijsheid niet nodig gevonden om in de jaarrekening 2010 al een voorziening te treffen. Dit gebeurde buiten de verantwoordelijkheid van de oud-bestuurders, hiervan kan hen geen verwijt worden gemaakt. Aan Inbartère kan ook niet worden verweten dat de teruggave van de premie over 2010 niet is doorbetaald aan het Bedrijfstakpensioenfonds, omdat Inbartère ten tijde van die terugbetaling geen bestuurder meer was. Dat de vennootschap haar activiteiten heeft beëindigd, kan niet worden aangemerkt als onbehoorlijk bestuur; van onbehoorlijk bestuur zou veeleer sprake zijn, als de bedrijfsactiviteiten zouden worden voortgezet, terwijl duidelijk is dat deze leiden tot grote verliezen en er geen uitzicht bestaat op verbeterende financiële omstandigheden. Aldus nog steeds Inbartère.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ade4beb1b25195c9070d2799b7e852b2b0407bd92e89d51b724e556e58fff129. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ade4beb1b25195c9070d2799b7e852b2b0407bd92e89d51b724e556e58fff129, en de alinea staat in dat document op bytes 17134 tot 19255.