Citaat | Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017
Alinea 89 Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:207.
15. Zoals het hof heeft overwogen (zie hiervoor onder 13), had Goudse goede grond om van [appellant] opening van zaken te verlangen over zijn strafrechtelijk verleden voorafgaand aan het aanvragen van de verzekering in 2004. In aansluiting hierop is het hof van oordeel dat [appellant] met het toezenden van het bevel tot inverzekeringstelling van 18 januari 2005 de aanwijzingen dat hij mogelijk voorafgaand aan het sluiten van de verzekering met politie en/of justitie in aanraking was geweest, geenszins heeft weerlegd. Weliswaar bleek uit dat bevel dat [appellant] eerst na het sluiten van de verzekering in verzekering was gesteld in verband met de in het bevel genoemde verdenkingen, doch tevens bleek daaruit dat de verdenkingen betrekking hadden op ernstige feiten die zich hadden afgespeeld vanaf januari 2000 (en dus, anders dan [appellant] stelt, niet pas vanaf 1 oktober 2003), derhalve in de periode van acht jaar voor het sluiten van de verzekering in verband waarmee [appellant] tegenover Goudse had verklaard dat hij niet in aanraking met politie en/of justitie was geweest. Voor Goudse bestond er daarom – mede gelet op hetgeen [appellant] in het gesprek met de onderzoeker had verklaard over zijn contacten met justitie en/of politie in 2003 – voldoende grond om, zoals Goudse in de brief van 16 februari 2012 heeft gedaan, van [appellant] medewerking te verlangen aan inzage in het Justitiële Documentatieregister, teneinde vast te stellen of daarin voor de relevante periode gegevens waren opgenomen die [appellant] aan Goudse had moeten meedelen. Op grond van het niet verlenen van bedoelde medewerking heeft de rechtbank terecht, bij wijze van rechterlijk vermoeden, voorshands bewezen geacht dat [appellant] heeft nagelaten feiten aan Goudse mee te delen waarmee hij bekend was en die, naar hij wist of behoorde te begrijpen, voor Goudse van belang waren voor de beslissing of hij met [appellant] een verzekering wilde sluiten. De rechtbank heeft het aanbod van [appellant] tot tegenbewijslevering gepasseerd op de grond dat hij niet aan zijn verplichting uit artikel 21 Rv heeft voldaan. De rechtbank heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden die zij geraden achtte, te weten dat wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van Goudse en dat het ervoor wordt gehouden dat [appellant] voor Goudse heeft verzwegen dat hij in de periode van acht jaar voorafgaand aan het sluiten van de verzekering in aanraking is geweest met politie en justitie, derhalve in de periode 21 mei 1996 tot aan 21 mei 2004.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a1d441bd781f9f509173c3a0928e82ab65ca27e91165f7146e92c7db8da0d400. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a1d441bd781f9f509173c3a0928e82ab65ca27e91165f7146e92c7db8da0d400, en de alinea staat in dat document op bytes 31168 tot 33714.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a1d441bd781f9f509173c3a0928e82ab65ca27e91165f7146e92c7db8da0d400 | shasum -a 256