Citaat | Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017

Alinea 90 Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 14 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:207.

16. [appellant] heeft in hoger beroep zijn bewijsaanbod herhaald en wederom aangeboden te bewijzen, door het horen van zichzelf en de beheerder van het pand, dat het concrete vermoeden van Goudse betreffende zijn strafrechtelijk verleden ziet op een feit dat zich na het aangaan van de verzekering heeft voorgedaan. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] zijn verplichting ex artikel 21 Rv heeft geschonden door op de comparitie in eerste aanleg te weigeren de vragen over zijn strafrechtelijk verleden te beantwoorden. Het hof verbindt hieraan dezelfde consequentie als de rechtbank. Daar komt bij dat het bewijsaanbod ook niet ter zake dienend is: ook wanneer (alsnog) zou komen vast te staan dat [appellant] niet reeds vóór het sluiten van de verzekering met de politie of justitie in aanraking is geweest in verband met de feiten waarvoor de beslaglegging heeft plaatsgevonden, is dat onvoldoende ter ontzenuwing van het vermoeden dat [appellant] in de relevante periode (voor andere feiten) in aanraking met politie of justitie is geweest. Grief IV faalt dus.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a1d441bd781f9f509173c3a0928e82ab65ca27e91165f7146e92c7db8da0d400. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a1d441bd781f9f509173c3a0928e82ab65ca27e91165f7146e92c7db8da0d400, en de alinea staat in dat document op bytes 33734 tot 34873.