Citaat | Gerechtshof Den Haag 28 juli 2017

Alinea 67 Gerechtshof Den Haag 28 juli 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 28 juli 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2467.

16. Het hof is van oordeel, dat de kantonrechter op juiste gronden heeft geoordeeld dat [appellante] ‘loslippig’ is geweest. Dat hiervan sprake is geweest volgt uit de getuigenverklaring van [getuige] , die ten overstaan van de kantonrechter gedetailleerd heeft verklaard over de uitlatingen van [appellante] , zoals weergegeven in het proces-verbaal van het getuigenverhoor. [appellante] heeft zichzelf als getuige in contra-enquête doen horen, waarin zij de verklaring van [getuige] heeft weersproken. Van de zijde van [appellante] is met juistheid naar voren gebracht dat de bewijslast van de gestelde ‘loslippigheid’ op Refresco rust en aan de verklaring van [appellante] niet minder bewijskracht toekomt aangezien het bewijsrisico niet bij haar ligt en zij derhalve niet geldt als partijgetuige in de zin van art. 164 lid 2 Rv. Het hof heeft evenwel geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de getuigenverklaring van [getuige] , mede gelet op haar functie en maatschappelijke positie als advocaat bij een gerenommeerd advocatenkantoor en als lid van de Raad van Commissarissen van [X] . [getuige] is op geen enkele manier betrokken bij het geschil tussen Refresco en [appellante] en moet derhalve als onafhankelijke derde worden beschouwd. [appellante] daarentegen heeft groot belang bij het ontkennen van de juistheid van de verklaring van [getuige] in deze (ontslag)procedure. De stelling van [appellante] dat [getuige] in strijd met de waarheid heeft verklaard omdat – naar het hof begrijpt – [getuige] en [CEO] elkaar kennen van de hockeywereld en het Aidsfonds en [getuige] een goede indruk wilde maken op [CEO] om op die wijze in aanmerking te komen voor een commissariaat, heeft [appellante] op geen enkele manier onderbouwd en is ook overigens – gezien de hiervoor genoemde positie van [getuige] – niet aannemelijk. Dat uit de door [appellante] overgelegde verklaring van [betrokkene] volgt dat [appellante] de gestelde uitlatingen niet heeft gedaan, is naar het oordeel van het hof niet juist. [betrokkene] bevestigt dat sprake was van een driegesprek tussen haar, [appellante] en [getuige] op 27 januari 2016 en dat zij na ongeveer 5 minuten is vertrokken. Naar het hof begrijpt is daarna het gesprek vervolgens tussen [appellante] en [getuige] voortgezet, zoals [appellante] in haar getuigenverklaring ook heeft bevestigd. Ook de andere getuigen waarvan [appellante] een getuigenverklaring heeft overgelegd, zijn niet bij het bewuste gesprek tussen [appellante] en [getuige] aanwezig geweest. Het hof is dan ook van oordeel dat hetgeen [appellante] in contra-enquête heeft verklaard – en hetgeen zij in de processtukken naar voren heeft gebracht en de door [appellante] overgelegde producties – niet opwegen tegen de getuigenverklaring van [getuige] .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/db5023b05857a14c1806580b6c7758e7a1b9c2da90a1ec3e52c829698559c770. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt db5023b05857a14c1806580b6c7758e7a1b9c2da90a1ec3e52c829698559c770, en de alinea staat in dat document op bytes 27501 tot 30313.