Citaat | Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017

Alinea 74 Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2787.

9. Het hof stelt voorop dat verzoekster die ten tijde van het overlijden van erflater tezamen met hem de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] bewoonde door haar onterving door erflater diens erfgenamen in beginsel kan verplichten mee te werken aan de vestiging van het recht van vruchtgebruik op die woning en de daarbij behorende inboedel. Van belang is voorts dat tot de nalatenschap van erflater slechts de onverdeelde helft van deze woning behoort. Verzoekster is eigenaar van de andere onverdeelde helft en verzoekster en erflater waren met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen gehuwd. De verzorgingsbehoefte van verzoekster ter zake van het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 BW wordt verondersteld en het ligt op de weg van de erfgenamen – de kinderen van erflater uit zijn eerste huwelijk en ter zake vertegenwoordigd door de executeurs – om die in beginsel veronderstelde verzorgingsbehoefte gemotiveerd te betwisten (artikel 4:33 lid 2 letter a BW).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a9d2bef261f57dd6935a452032e08261fa097dccef48fdbfd90ceed7a52c8fbc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a9d2bef261f57dd6935a452032e08261fa097dccef48fdbfd90ceed7a52c8fbc, en de alinea staat in dat document op bytes 17086 tot 18083.