Citaat | Gerechtshof Den Haag 3 oktober 2017

Alinea 88 Gerechtshof Den Haag 3 oktober 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 3 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2821.

13. De afspraak in de Koop-/aannemingsovereenkomst en Huurovereenkomst omtrent de ontbindende voorwaarde ( “Deze overeenkomst wordt ontbonden indien er op 1 juni 2010 geen onherroepelijke niet voor bezwaar vatbare bouwvergunning is afgegeven voor de bouw van het hiervoor bedoeld complex” en “Deze overeenkomst is ontbonden indien niet uiterlijk voor of op 1 juni 2010 een onherroepelijke niet voor bezwaar vatbare bouwvergunning is ontvangen”) omvat onmiskenbaar de volledige bouwvergunning fase 1 en 2, nu op grond van de regelgeving beide bouwvergunningen zijn vereist, terwijl ook expliciet wordt gesproken over ‘wordt/is ontbonden’. Dat de ontbindende voorwaarde betrekking heeft op zowel fase 1 als fase 2 is ook bevestigd door [appellant 5] c.s. op de comparitie in eerste aanleg (punt 10 van het proces-verbaal van 9 maart 2015). Hiermee strookt niet de aanzienlijk ruimere interpretatie die [appellant 5] c.s. thans geeft, kort gezegd inhoudende dat het de bedoeling van partijen was om na verlening van de bouwvergunning fase I met bouwen te beginnen en dat ook nog verlenging van de termijn van deze voorwaarde mogelijk was. In ieder geval is niet uitgelegd waarom het zo is opgeschreven in de betreffende contracten wanneer de bedoeling een andere was. Het hof passeert daarom deze stelling van [appellant 5] c.s. als onbewezen gebleven. Hierbij weegt nog mee dat deze stelling van [appellant 5] c.s. niet geobjectiveerd is kunnen worden en hoofdzakelijk is gebaseerd op verklaringen van [directeur] (als partijgetuige in de zin van artikel 164 Rv) en [getuige 3], die in ieder geval bij deze bouwplannen nauw was betrokken en een goede bekende is van [directeur]. Hierdoor past terughoudendheid bij de weging van deze verklaringen. Hoe dan ook, in ieder geval verklaart [directeur] als getuige in het voorlopig getuigenverhoor dat ze ‘in dat geval natuurlijk wel de Gemeente mee hadden moeten hebben’, hetgeen zonder nadere toelichting hieromtrent, die ontbreekt, in feite inhoudt dat [appellant 5] c.s. zonder bouwvergunning fase II niet had kunnen bouwen, tenzij de Gemeente daar op dat moment mee zou hebben ingestemd, nog los van het risico van bezwaarschriften. Gesteld noch gebleken is dat de Gemeente in die fase daarmee zou hebben ingestemd, zeker niet gelet op de op dat moment steeds nadrukkelijker spelende perikelen omtrent de ontsluitingsroute Rotterdam-Den Haag. In dit verband wijst het hof ook nog op de verklaring namens [appellant 5] c.s. in 7 van het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg van 9 maart 2015, inhoudende: “Eind 2008 kregen wij in de gaten dat het bouwen op het perceel kansloos was omdat de gemeente andere plannen met het perceel had en dat de gemeente er alles aan zou doen om onze plannen te dwarsbomen.” Dit wijst niet op een welwillende houding van de Gemeente op dat moment. Dit alles betekent dat het hof, evenals de rechtbank, ervan uitgaat dat de overeenkomst wel degelijk ontbonden zou worden wanneer op 1 juni 2010 geen bouwvergunning fase I en fase II verleend zou zijn, althans dat in het kader van de beoordeling van de causaliteitsvraag laatstbedoelde datum moet worden aangehouden. Grief 3 wordt verworpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa68752aeae8f8cd5225c0e60ee6e4da9d0677bbd96c0c19c041122eafb1df4c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa68752aeae8f8cd5225c0e60ee6e4da9d0677bbd96c0c19c041122eafb1df4c, en de alinea staat in dat document op bytes 39013 tot 42358.