Citaat | Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2017

Onder 7.1.1 Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2855.

2. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kort gezegd, de in art. 96 lid 2 Sr bedoelde voorbereiding of bevordering van de in art. 289a Sr omschreven misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht, zonder dat een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat gelet op de wetsgeschiedenis de voor toepassing van art. 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor art. 96 lid 2 Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in art. 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan art. 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht (HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200, NJ 2002/626, NbSr 2002/244 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, NbSr 2014/95).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2fe0b992778ffbaf1088f23f20d724106ba560c2114fc70bd151ac6a6b8534a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2fe0b992778ffbaf1088f23f20d724106ba560c2114fc70bd151ac6a6b8534a1, en de alinea staat in dat document op bytes 32886 tot 34037.