Citaat | Gerechtshof Den Haag 31 oktober 2017

Alinea 141 Gerechtshof Den Haag 31 oktober 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3070.

7. Geïntimeerden concluderen tot verwerping van het principaal appel. In het (voorwaardelijk) incidenteel appel hebben geïntimeerden hun vordering in eerste aanleg gehandhaafd, met dien verstande dat zij thans ook vorderen dat aan het op te leggen verbod aan de Staat om uitvoering te geven aan de Regeling een dwangsom wordt verbonden. Zij vorderen voorts dat, voor het geval de grieven in het principaal appel (deels) slagen, te bepalen dat de Regeling met ingang van vier weken na dit arrest jegens geïntimeerden in werking treedt, en alsdan pas vanaf die datum als grondslag kan dienen voor een door de Minister op te leggen en te innen geldsom. Zij vorderen bovendien dat de Staat wordt verboden geïntimeerden te verplichten tot betaling van een geldsom over de reeds verstreken periodes, tot vier weken na dit arrest. Tot slot vorderen zij veroordeling van de Staat in de kosten van het geding, waaronder de nakosten. Geïntimeerden voeren in dit verband als grieven I-III verschillende gronden aan waaruit volgt dat het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Regeling gebaseerd kan worden op de Landbouwwet, onjuist is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c4e5ff0ed2b501f7a1a259c2eb1249cd32ce2d12a2d2d5bc4071be8d9b0a971b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c4e5ff0ed2b501f7a1a259c2eb1249cd32ce2d12a2d2d5bc4071be8d9b0a971b, en de alinea staat in dat document op bytes 38217 tot 39365.