Citaat | Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2017

Onder 1.26 Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 29 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3231.

16. Uit het voorgaande vloeit voort dat beantwoording van de door [appellant] voorgestelde prejudiciële vragen niet noodzakelijk is voor het wijzen van arrest, zodat het verzoek tot het stellen van die vragen wordt afgewezen. Ten overvloede overweegt het hof dat de Staat terecht heeft opgemerkt dat de Hoge Raad meermalen heeft bevestigd dat de rechtsgang bij de bestuursrechter, met in hoogste instantie de ABRvS, een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is en dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de combinatie van een adviserende en een rechtsprekende functie als zodanig niet in strijd is met artikel 6 EVRM (zie EHRM 6 mei 2003, ECLI:NL:XX:2003:AF8328, NJ 2004/15 en, ten aanzien van de Franse Raad van State, EHRM 9 november 2006, ECLI:NL:XX:2006:AZ7789, NJ 2007/303).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c0bcb90ef58bbf7a2ebb5548685fd6627bcbe7c2b32ec57ac373359174957eed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c0bcb90ef58bbf7a2ebb5548685fd6627bcbe7c2b32ec57ac373359174957eed, en de alinea staat in dat document op bytes 58712 tot 59518.