Citaat | Gerechtshof Den Haag 7 maart 2017
Alinea 236 Gerechtshof Den Haag 7 maart 2017
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 7 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:544.
Alleen [verdachte] en [F.] verklaren dat [F.] op enig moment in het gesprek op 29 januari 2013 heeft aangegeven [slachtoffer D] te kennen. Zij verklaren dit echter pas op een moment dat zij het hele dossier hebben kunnen bestuderen en de beperkingen niet meer van kracht waren. Daartegenover staat dat [dochter Y] op 17 juni 2014 tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij weet wie [F.] is, dat zij hem nooit sprak en dat hij naar haar weten niet bij haar thuis is geweest. En ook [slachtoffer D] heeft op 14 januari 2014 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij [F.] niet kent van naam of gezicht en dat deze ook nog nooit bij hem thuis is geweest. Het hof acht derhalve niet aannemelijk geworden dat identificatie van het beoogde slachtoffer door [F.] voorzien was in het tussen [verdachte], [F.] en [Z.] besproken plan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2c2b3df1f8db0bc29d4f86818e6da2de7f4ed5e828cfb0856aa880ee439b6bce. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2c2b3df1f8db0bc29d4f86818e6da2de7f4ed5e828cfb0856aa880ee439b6bce, en de alinea staat in dat document op bytes 84592 tot 85452.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2c2b3df1f8db0bc29d4f86818e6da2de7f4ed5e828cfb0856aa880ee439b6bce | shasum -a 256