Citaat | Gerechtshof Den Haag 10 maart 2017

Onder 10.2.1 Gerechtshof Den Haag 10 maart 2017

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 10 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:642.

5. Het hof is van oordeel dat op basis van het Facebookaccount van [man 1], de inhoud van de in hoofdstuk 8 opgenomen berichten die hij op social media heeft geplaatst, de omstandigheid dat de verdachte daarvan kennis moet hebben genomen nu hij via social media regelmatig met zijn broer contact onderhield en ook informatie over hem opzocht en tot slot de plaatsing van de broer van de verdachte op de Nationale terrorismelijst op [datum] en de wijze waarop hij vervolgens door inschakeling van derden geld naar zijn broer is blijven overmaken, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden geconcludeerd dat de verdachte in ieder geval ten tijde van de money transfers naar zijn broer [man 1] op 16 oktober 2014 en 24 december 2014 wetenschap had dat zijn broer zich had aangesloten bij specifiek IS. Het hof betrekt hierbij ook dat de verdachte over de betalingen aan zijn broer tegenover de FIOD/ECD heeft verklaard dat hij nooit slechte bedoelingen heeft gehad om Islamitische Staat te steunen en dat hij altijd al heeft geweten dat hij voor het overmaken van het geld ooit zou worden aangehouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eabeead9cce9f4831821e0a3ef3bb97f89d673173aa4c132cfa75478676ef40e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eabeead9cce9f4831821e0a3ef3bb97f89d673173aa4c132cfa75478676ef40e, en de alinea staat in dat document op bytes 118717 tot 119944.