Citaat | Gerechtshof Den Haag 3 april 2017
Onder 2.9 Gerechtshof Den Haag 3 april 2017
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 3 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:876.
12. Vorenstaande betekent dat zich de situatie voordoet als omschreven in artikel 7:683 lid 3 BW. Het verzoek van [appellante] om vernietiging van de opzegging is, naar het oordeel van het hof, door de kantonrechter ten onrechte afgewezen. Nu [appellante] heeft aangegeven te berusten in het einde van het dienstverband per 29 juni 2016, is herstel van de dienstbetrekking niet meer aan de orde, maar wel de billijke vergoeding ex art. 7:683 lid 3 BW. [appellante] verzoekt ook om die vergoeding. Bij het berekenen van bedoelde billijke vergoeding gaat het hof uit van de fictie dat Envido, na het gesprek op 24 juni 2016, [appellante] niet op staande voet zou hebben ontslagen maar zich tot de kantonrechter zou hebben gewend met het verzoek de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden op basis van een duurzaam ontwrichte arbeidsrelatie wegens verlies van het noodzakelijke vertrouwen (art. 7:669 lid 3, aanhef en sub g, BW), welk verzoek dan waarschijnlijk in juli 2016 zou zijn ingediend. Het hof schat in in de loop van september 2016 op het verzoek een beschikking zou zijn gegeven (zoals in dezen ook gebeurd is op het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van [appellante] ). Gelet op het bepaalde in art. 7:672 lid 2, aanhef en onder a, BW zou de opzegtermijn één maand bedragen. [appellante] is met Envido immers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan op 3 november 2015 en die arbeidsovereenkomst heeft minder dan vijf jaar geduurd. Bij het berekenen van de opzegtermijn wordt de arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) die tussen [appellante] en Capricorn bestaan heeft, niet meegeteld. Bij de beëindiging van dat dienstverband wordt de opzegtermijn hangende aan dat arbeidscontract geacht te zijn verbruikt (zie Kamerstukken II 1998/1999, 26257, nr. 7 onder Bijlage sub o). De kantonrechter zou naar verwachting de arbeidsovereenkomst ontbonden hebben tegen 1 november 2016. Dat betekent, naar het oordeel van het hof, dat [appellante] als basis aanspraak kan maken op een (bruto) billijke vergoeding gelijk aan het [appellante] toekomende bruto maandsalaris over de periode van 29 juni 2016 tot 1 november 2016, zijnde een periode van 14 weken. Het hof becijfert dit op een bruto bedrag groot (afgerond) € 4.705,-- ((€ 1.344,56 : 4) x 14), vermeerderd met een forfaitair percentage van 10%, onder meer wegens het (ten onrechte) niet kunnen beschikken over inkomen gedurende de maanden juli t/m oktober 2016, het gemis aan vakantietoeslag en vakantiedagen over bedoelde periode, de commotie die een ontslag op staande voet teweeg gebracht heeft en de moeite die [appellante] heeft moeten doen om het ontslag op staande voet aan te vechten. Een en ander resulteert in een toe te kennen billijke vergoeding van (afgerond) € 5.175,-- bruto. Hierop strekt in mindering de hierna te melden gefixeerde schadevergoeding ad € 1.680,--, aangezien deze betrekking heeft op dezelfde periode als die waarop de billijke vergoeding ziet, zodat per saldo een billijke vergoeding van € 3.495,-- resteert.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d6467685db630c39692b824fd8a72844725c845ef704109c5d89140ab5bd1bd8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d6467685db630c39692b824fd8a72844725c845ef704109c5d89140ab5bd1bd8, en de alinea staat in dat document op bytes 26744 tot 29794.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d6467685db630c39692b824fd8a72844725c845ef704109c5d89140ab5bd1bd8 | shasum -a 256