Citaat | Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018
Alinea 32 Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:22.
8. Voor hun pleidooi voor een recht op volledige schadevergoeding menen [appellanten] steun te vinden in het wetsvoorstel Omgevingswet dat thans in het parlement wordt behandeld, en in het bijzonder pagina’s 202 tot en met 204 van de Memorie van Toelichting op dat wetsvoorstel waarin aandacht wordt geschonken aan het schadevergoedingsrecht in het kader van de BP. Het gaat om artikel 15.13, eerste lid van het wetsvoorstel en [appellanten] citeren uit de Memorie van Toelichting de volgende passages: “ In dit artikel wordt aangesloten bij de formulering van de schadeloosstelling zoals opgenomen in artikel 40 onteigeningswet (artikel 15.2 Omgevingswet). Dit omdat voor de gedoogplichten die onder Belemmeringenwet Privaatrecht worden opgelegd uit de jurisprudentie (o.m. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, op 16 juni 2009 (…), volgt dat die wet voorziet in een financiële compensatie die qua karakter en resultaat vergelijkbaar is met een door de onteigeningswet verzekerde schadeloosstelling. (…) Overigens is er wel een kenmerkend verschil wat betreft het moment van bepalen van de schade bij onteigening en bij gedoogplichten. In tegenstelling tot onteigening, waarbij de eigendom immers overgaat, kan het bij de oplegging van een gedoogplicht zo zijn dat er ook in de toekomst schade wordt geleden als gevolg van die gedoogplicht. De aard van de gedoogplicht brengt daarom mee, dat ook schade die zich eerst in de toekomst openbaart en die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de gedoogplicht dan voor schadeloosstelling in aanmerking komt. In jurisprudentie heeft de rechter een aantal maal uitspraak gedaan over de reikwijdte van de schadevergoedingsplicht van de BP, die uitleg blijft van belang voor het schadeloosstellingsrecht onder de Omgevingswet voor de gedoogplichten bedoeld in artikel 15.13. Door de Hoge Raad (1963, NJ 1965, 56) is aan de hand van de totstandkomingsgeschiedenis van de BP uitgemaakt dat schade zowel kan blijken bij de totstandkoming van het te gedogen werk als gedurende de tijd waarin dat werk in stand blijft. De vergoeding van die schade kan dan ook telkens wanneer zij blijkt worden gevorderd. De zinsnede “behoudens het recht op schadevergoeding” betekent niet dat “al de aantasting van het recht van de rechthebbende als gevolg van de door hem opgelegde verplichting den aanleg en de instandhouding van het werk te gedogen op zichzelf een aanspraak op vergoeding zoude scheppen, doch de strekking daarvan slechts deze is dat, voor zover als gevolg van een aanleg of instandhouding van het werk van een concrete schade blijkt, van die gebleken schade de vergoeding kan worden gevorderd”. Schade kan daardoor gedurende de gehele periode van instandhouding blijken en worden gevorderd. Het schadevergoedingsstelsel van de BP biedt de mogelijkheid “dat wanneer bij het instellen van een vordering tot schadevergoeding ingevolge deze wet beroep wordt gedaan op schadefactoren waarvan wegens haar verband met toekomstige onzekere gebeurtenissen de betekenis nog niet met voldoende duidelijkheid kan worden bepaald, de rechter zijn beslissing wat dat betreft uitstelt en de schade in zover dus eerst voor vergoeding in aanmerking doet komen wanneer daaromtrent meer zekerheid verkregen is”. Dit laatste is in 1979 door de Hoge Raad nog eens bevestigd (2 februari 1979, NJ 1979, 384). De reikwijdte van de schadevergoeding is breed, aldus het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (arrest van 14 oktober 2003 (LJN: AM3092)): “de financiële gevolgen van de beperkingen in de gebruiksmogelijkheden van de eigendommen alsmede het woongenot van verzoeker tot uitdrukking zullen moeten komen in de hoogte van de aan hem toe te kennen schadevergoeding”. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog in haar uitspraak van 14 juli 2004 dat “Gelet op het bepaalde in artikel 14 BP heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat ten aanzien van de vaststelling van de schadevergoeding de rechter competent is. Daaronder is tevens begrepen vergoeding van alle huidige en – in tegenstelling tot bij onteigening- nog in de toekomst opkomende schade, waaronder ook de schade die voortvloeit uit verminderde exploitatieve bruikbaarheid van de gronden als gevolg van de aanleg en instandhouding van de werken, en ook door appellant gestelde toekomstige schade in verband met feitelijke onverkoopbaarheid van de gronden, alsmede milieuschade.” Ook waardevermindering van de desbetreffende onroerende zaak komt in beginsel voor schadevergoeding in aanmerking. In 1970 heeft de Hoge Raad (NJ 1970, 368) uitgemaakt dat: “indien de rechthebbende op een onroerend goed door aanleg en instandhouding van een werk als bedoeld in de Belemmeringenwet Privaatrecht een schade lijdt in de waardevermindering van het goed, deze schade volledig moet worden vergoed”. In 1979 (NJ 1979, 384) bevestigt de Hoge Raad dit nog eens in een zaak waarin waardevermindering van een onroerend goed werd uitgesloten van vergoeding: “In de in artikel 1 der wet voorkomende woorden “behoudens schadevergoeding” is geen beperking van het recht op schadevergoeding gelegen, en uit de geschiedenis van de wet blijkt, dat is gedacht aan een recht op volledige schadevergoeding. De opvatting dat de in waardevermindering gelegen schade op zichzelf niet voor vergoeding in aanmerking komt, vindt derhalve in de wet geen steun. Aan het recht op vergoeding van deze schade staat niet in de weg, dat de omvang ervan in geschil is.” Ten slotte is ook in het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 13 april 2010 (LJN: BM 1190) bevestigd dat waardevermindering voor schadevergoeding in aanmerking kan komen.” [appellanten] betogen bij pleidooi dat uit deze passages valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft de bestaande praktijk tot uitdrukking te brengen in de Omgevingswet en dat de visie van Tennet op het schadevergoedingsrecht onder de BP niet te verenigen is met het geldende recht. Tennet heeft dit pleidooi gemotiveerd bestreden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ecbad1288120ed0c78b39a96aa694a1b46e335083dc22ad31a698e19f5636e3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ecbad1288120ed0c78b39a96aa694a1b46e335083dc22ad31a698e19f5636e3, en de alinea staat in dat document op bytes 16224 tot 22581.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ecbad1288120ed0c78b39a96aa694a1b46e335083dc22ad31a698e19f5636e3 | shasum -a 256