Citaat | Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018

Alinea 38 Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:22.

14. De BP is in de MvA II (Parl. Gesch. BW Inv. 3,5 en 6 Boek 6, p. 1261) uitdrukkelijk genoemd als voorbeeld van een bestuursrechtelijke regeling die zich leent voor toepassing van de regeling met betrekking tot wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding in afdeling 10 van Titel 1 Boek 6 BW. Wat de in deze regeling opgenomen wettelijke regeling aangaande de verschuldigdheid van rente betreft, kan aansluiting worden gevonden bij de uitleg van deze regeling in het geval van een onrechtmatige daad. Naar huidig recht geldt dat de wettelijke rente verschuldigd wordt ingeval een verbintenis tot betaling van schadevergoeding in geld wegens onrechtmatige daad niet terstond wordt nagekomen nadat zij opeisbaar is geworden. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is aldus bepalend de vraag op welk moment de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is. Met betrekking tot de opeisbaarheid van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad geldt in beginsel dat de vordering opeisbaar is op het tijdstip waarop de schade ontstaat. Schade kan concreet worden berekend naar het tijdstip waarop de schade wordt geleden, maar zij kan ook abstract worden berekend naar het tijdstip van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust . De wijze waarop de schade wordt begroot, is van belang voor de vraag wanneer de schade wordt geleden en daarmee voor de opeisbaarheid van de vordering tot schadevergoeding (MvA II (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 475). Uit het voorgaande volgt dat een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad opeisbaar is op het tijdstip waarop de schade wordt geleden of in verband met de wijze van schadebegroting geacht moet worden te zijn geleden. Indien de rechter de schade begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens ter zake van toekomstige schade, moet deze schade geacht worden te zijn geleden op de bij deze kapitalisering tot uitgangspunt genomen peildatum. Voor de vraag wanneer de schade wordt geleden is niet relevant op welk moment de omvang van de schade kan worden bepaald (HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610). Ook indien de omvang van een vordering tot schadevergoeding pas in een later stadium komt vast te staan - bijvoorbeeld na bewijslevering, dan wel in een afzonderlijke procedure zoals een schadestaat, een procedure voor een buitenlandse rechter of een arbitraal geding - is die vordering opeisbaar vanaf het moment dat de schade is geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ecbad1288120ed0c78b39a96aa694a1b46e335083dc22ad31a698e19f5636e3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ecbad1288120ed0c78b39a96aa694a1b46e335083dc22ad31a698e19f5636e3, en de alinea staat in dat document op bytes 28764 tot 31397.