Citaat | Gerechtshof Den Haag 25 september 2018

Onder 14.2 Gerechtshof Den Haag 25 september 2018

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2417.

De Bank heeft in eerste aanleg aangeboden te bewijzen dat ISG al in april 1999 bekend was met het wegraken van het geld en al eind 1998 wist dat COB haar afspraken niet nakwam. Aan dat bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Ook indien de Bank in dit bewijs zou slagen, en vast zou komen te staan dat ISG op de genoemde momenten al bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, is de verjaring immers tijdig gestuit door de Brief die dateert van 8 augustus 2003. Bij het laatste pleidooi heeft de Bank nog aangeboden te bewijzen “wat er al bekend was bij ISG”, omdat geen mededelingsplicht van de Bank kan worden aangenomen ter zake van feiten die aan ISG bekend waren, maar aan dat aanbod wordt voorbijgegaan, omdat de Bank niet heeft betwist dat het niet aan ISG bekend was dat de rekeningen waren opgeheven. Ook aan het algemene bewijsaanbod van de Bank in de memorie na verwijzing wordt voorbijgegaan omdat geen concreet bewijs is aangeboden en in het voorgaande geen stellingen van ISG bewezen zijn geacht waartegen tegenbewijs van feiten kan worden geleverd. Voor zover is uitgegaan van de juistheid van bepaalde stellingen van ISG waren die door de Bank niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, waardoor aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/07718b6086795c0b83a7fb64b00a6416d9e10250c6d512861176ea3a9a28a818. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 07718b6086795c0b83a7fb64b00a6416d9e10250c6d512861176ea3a9a28a818, en de alinea staat in dat document op bytes 60636 tot 61917.