Citaat | Gerechtshof Den Haag 16 januari 2018

Onder 3.11 Gerechtshof Den Haag 16 januari 2018

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 16 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:9.

Het hof constateert dat de vorderingen VII en VIII, waarop de aangevochten overweging van de rechtbank betrekking had, door [appellant] in hoger beroep niet langer, althans niet in die vorm, worden gehandhaafd. In zoverre heeft [appellant] bij deze grief geen belang. De stelling dat de ‘punitieve verwerking’ van persoonsgegevens door de Staat onrechtmatig is heeft [appellant] in het geheel niet onderbouwd. Die stelling is dus ongegrond. Voor zover [appellant] met het overige deel van zijn betoog wil aanvoeren dat de Staat onvoldoende actie heeft ondernomen om, na de aangifte, de kentekenregistraties ongedaan te maken, verliest hij uit het oog dat de rechtbank deze stelling heeft onderschreven. Ook in zoverre heeft [appellant] bij deze grief geen belang.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/74ba8a26c564b4a1245dea57432a41ed051926e9e612f7b7b7e1b03a2bd23a59. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 74ba8a26c564b4a1245dea57432a41ed051926e9e612f7b7b7e1b03a2bd23a59, en de alinea staat in dat document op bytes 26357 tot 27137.