Citaat | Gerechtshof Den Haag 12 februari 2019
Onder 5.4 Gerechtshof Den Haag 12 februari 2019
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 12 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:211.
Artikel 296 Sr verbiedt om een vrouw een behandeling te geven terwijl de behandelaar, niet zijnde een arts in een ziekenhuis of kliniek met een Waz‑vergunning, weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor zwangerschap kan worden afgebroken. Een vermoeden van zwangerschap is dus genoeg om onder de reikwijdte van het strafrecht te vallen. Echter, het moment waarop een behandelend arts – dus medisch gezien – redelijkerwijs moet vermoeden dat een vrouw zwanger is (zodat “zwangerschap kan worden afgebroken” ) bepaalt artikel 296 Sr niet. Er is wel consensus over dat een zwangerschap niet wordt (vermoed te worden) afgebroken in de zin van artikel 296 Sr door het plaatsen van een spiraaltje of verstrekken van de morning-after pil. De enkele kans dat een bevruchting van de eicel heeft plaatsgevonden, levert dus niet, althans niet direct, een vermoeden van een zwangerschap op. Op welk moment er na de kans op bevruchting een – medisch – vermoeden van zwangerschap in de zin van het strafrecht ontstaat, is nergens in de wet bepaald. Het begrip ‘zwangerschap’ is niet wettelijk gedefinieerd. De reikwijdte van artikel 296 Sr is daardoor niet duidelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0551fce4c24ba5e4c5bc7ed5d5258fdb4b74dcda755f31a43bf21daf0a13db8c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0551fce4c24ba5e4c5bc7ed5d5258fdb4b74dcda755f31a43bf21daf0a13db8c, en de alinea staat in dat document op bytes 50748 tot 51974.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0551fce4c24ba5e4c5bc7ed5d5258fdb4b74dcda755f31a43bf21daf0a13db8c | shasum -a 256