Citaat | Gerechtshof Den Haag 12 februari 2019

Onder 5.6 Gerechtshof Den Haag 12 februari 2019

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 12 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:211.

Met het voorgaande staat echter nog niet vast dat de medicamenteuze overtijdbehandeling niet onder de reikwijdte van artikel 296 Sr kan vallen. Artikel 296 Sr sluit namelijk niet uit dat voor strafbaarheid in de zin van dat artikel ervan uitgegaan moet worden dat een arts een vermoeden van zwangerschap heeft vanaf het moment waarop medisch onderzoek voldoende betrouwbaar wijst op een zwangerschap en dat dat (heden ten dagen) op een eerder moment is dan vanaf het moment van een voltooide innesteling na 45 dagen. Het hof overweegt dat dit uitgangspunt, waarop de Staat zijn standpunt baseert, wordt ondersteund door het gegeven dat voornoemde wetgever destijds uitdrukkelijk heeft geschreven dat de reden om de overtijdbehandeling niet door de Waz te laten bestrijken is “…dat bij die behandeling niet met zekerheid vaststaat, dat de vrouw ook inderdaad zwanger is.” (memorie van antwoord aan de Tweede Kamer, 1979-1980, 15 475, nr.6 p.42). De wetgever heeft toen expliciet het volgende opgemerkt (p.61):

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0551fce4c24ba5e4c5bc7ed5d5258fdb4b74dcda755f31a43bf21daf0a13db8c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0551fce4c24ba5e4c5bc7ed5d5258fdb4b74dcda755f31a43bf21daf0a13db8c, en de alinea staat in dat document op bytes 53430 tot 54493.