Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 december 2019
Onder 3.9 Gerechtshof Den Haag 17 december 2019
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3421.
Met name het arrest van het EHRM inzake Vlieeland Boddy doet twijfel rijzen over de vraag of het huidige Nederlandse stelsel wel in overeenstemming is met art. 6 EVRM. Het in dit arrest weergegeven Spaanse recht vertoont sterke overeenkomsten met het Nederlandse b-criterium, zie met name de in paragraaf 12 weergegeven redenering van de Audiencia Nacional , die het beroep van Vlieeland Boddy verwierp omdat schadevergoeding slechts kan worden toegekend “en cas d’inexistence objective ou subjective des faits délictueux” (wat het hof zo begrijpt dat het tenlastegelegde feit zich niet heeft voorgedaan of door een ander dan de verdachte is gepleegd), dat vereist is “une certitude quant à l’absence de participation du plaignant aux faits litigieux”, maar dat het in dat geval slechts ging om een geval van gebrek aan bewijs. Zie ook de tekst van het aan deze rechtspraak ten grondslag liggende art. 294 van de (Spaanse) Loi organique relative au pouvoir judiciaire , dat tot schadevergoeding verplicht indien de verdachte “est acquittée en raison de l’inexistence des faits imputées”.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f787ecb9f5c231ea60d01988132bb21f0af6e3cbd4166747b4474fe9b8513832. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f787ecb9f5c231ea60d01988132bb21f0af6e3cbd4166747b4474fe9b8513832, en de alinea staat in dat document op bytes 36040 tot 37265.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f787ecb9f5c231ea60d01988132bb21f0af6e3cbd4166747b4474fe9b8513832 | shasum -a 256