Citaat | Gerechtshof Den Haag 17 december 2019

Onder 3.12 Gerechtshof Den Haag 17 december 2019

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 17 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3421.

Indien de conclusie zou moeten zijn dat het b-criterium, zoals dat thans in de rechtspraak wordt toegepast, in strijd is met art. 6 lid 2 EVRM, doet zich de vraag voor wat de gevolgen daarvan zijn. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Langemeijer heeft zich hierover uitgelaten in zijn hiervoor onder 3.4 aangehaalde conclusie (onder 2.35), alsmede in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2006:AV6967 onder 2.24 inzake Bok t. Nederland . Volgens de plaatsvervangend Procureur-Generaal betekent een eventuele strijdigheid van het b-criterium met art. 6 lid 2 EVRM dat in dat geval alleen het a-criterium als grondslag voor schadevergoeding overblijft. Dat is echter niet de enig denkbare consequentie, omdat het b-criterium strikt genomen zelf niet in strijd is met de onschuldpresumptie. Het is de vraag hoe moet worden vastgesteld dat van de onschuld van de verdachte is gebleken, waarbij het problematisch is dat een vrijspraak niet de gebleken onschuld impliceert. Er zou uit een oogpunt van art. 6 lid 2 EVRM niets op tegen zijn indien het b-criterium zo wordt toegepast dat bij vrijspraak zonder meer wordt aangenomen dat van de onschuld van de verdachte is gebleken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f787ecb9f5c231ea60d01988132bb21f0af6e3cbd4166747b4474fe9b8513832. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f787ecb9f5c231ea60d01988132bb21f0af6e3cbd4166747b4474fe9b8513832, en de alinea staat in dat document op bytes 42319 tot 43531.