Citaat | Gerechtshof Den Haag 15 februari 2019

Onder 7.5 Gerechtshof Den Haag 15 februari 2019

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 15 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3882.

8. [ De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat de boete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. De gedragingen van [ [B] ] en [ [A] ] kunnen aan [belanghebbende] worden toegerekend. Na kennisneming van de balansschuld en de noodzaak tot suppleren is geen actie ondernomen. Het beroep van [belanghebbende] op het legaliteitsbeginsel faalt volgens [de Inspecteur], omdat [belanghebbende] in 2012, dus na de invoering van artikel 10a van de Awr, constateerde dat de aangifte over het tweede kwartaal van 2011 onjuist was en [belanghebbende] dus zo spoedig mogelijk na die constatering een suppletieaangifte had moeten indienen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e51f489ea08bd8f5aa960d81dce81f5f2299c799d643b442b7bfde9f972da20. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e51f489ea08bd8f5aa960d81dce81f5f2299c799d643b442b7bfde9f972da20, en de alinea staat in dat document op bytes 31921 tot 32570.