Citaat | Gerechtshof Den Haag 12 maart 2019
Onder 1.17. Gerechtshof Den Haag 12 maart 2019
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 12 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:748.
6. Voorts stelt het hof het volgende voorop. Vaststaat dat [appellant] en [partner appellant] geen openheid van zaken hebben gegeven ter zake van de KBL-rekening toen [appellant] de eerste vragenbrief in 2002 ontving en dat zij ook in de jaren daarna zijn blijven ontkennen iets met de rekening te maken te hebben totdat jaren later, in januari 2015, in het door de Staat aangespannen kort geding in appel werd bevestigd dat zij op straffe van verbeurte van een dwangsom inlichtingen dienden te geven. Deze processtrategie is hun eigen keuze geweest. [appellant] heeft tijdens het pleidooi in appel een brief voorgelezen waarin wordt uitgelegd welke persoonlijke omstandigheden ten grondslag hebben gelegen aan die keuze. Deze persoonlijke omstandigheden doen echter niet af aan het feit dat [appellant] en [partner appellant] jarenlang houders zijn geweest van een buitenlandse rekening en dat geen van beiden over het saldo van die rekening belasting heeft betaald, terwijl daartoe wel een plicht bestond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c76c84cd8b72173888d84ffe2648787be36fe91d971ee49f3f2f9be8c352a2ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c76c84cd8b72173888d84ffe2648787be36fe91d971ee49f3f2f9be8c352a2ba, en de alinea staat in dat document op bytes 22418 tot 23440.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c76c84cd8b72173888d84ffe2648787be36fe91d971ee49f3f2f9be8c352a2ba | shasum -a 256