Citaat | Gerechtshof Den Haag 12 maart 2019

Onder 1.17. Gerechtshof Den Haag 12 maart 2019

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 12 maart 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:748.

13. Bij deze uitkomst past dat [appellant] en [partner appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in appel worden veroordeeld, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten. Het hof zal de Staat geen afzonderlijke vergoeding toekennen voor de kosten van het voegingsincident, nu de Staat in dat incident niet in het gelijk is gesteld. Het hof zal de nakosten begroten op € 157,- indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen, te vermeerderen met € 82,- voor de explootkosten als betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden. Zoals gevorderd door de Staat zal het hof bepalen dat bij niet-betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na datum arrest. Tot slot zal het arrest, conform de vordering van de Staat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c76c84cd8b72173888d84ffe2648787be36fe91d971ee49f3f2f9be8c352a2ba. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c76c84cd8b72173888d84ffe2648787be36fe91d971ee49f3f2f9be8c352a2ba, en de alinea staat in dat document op bytes 29495 tot 30424.