Citaat | Gerechtshof Den Haag 21 juli 2020
Onder 7.5 Gerechtshof Den Haag 21 juli 2020
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 21 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1302.
[geïntimeerde] heeft inderdaad gewezen op het verblijvingsbeding in zowel de maatschapsovereenkomsten uit 1999 als in die uit 2003. Een verblijvingsbeding heeft echter slechts obligatoire werking en vergt, zoals reeds aangeduid, om goederenrechtelijke werking te verkrijgen, levering op dezelfde wijze als deze voor overdracht is voorgeschreven (art. 3:186 lid 1 BW). Voor levering van vorderingen (zoals in het onderhavige geval: de vordering op [appellant] ) is, zo volgt uit artikel 3:94 BW, een akte van cessie nodig en mededeling daarvan aan de schuldenaar. Dat bij of na uittreding van een maat ooit aan [appellant] een dergelijk mededeling is gedaan ter zake van de in geding zijnde vordering is niet gesteld. Uit de omstandigheid dat [appellant] heeft getracht met [geïntimeerde] tot overeenstemming te komen, kan – anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent – niet worden afgeleid dat een dergelijke mededeling is gedaan, nog daargelaten dat die in verband met de werking van artikel 35 lid 1 van de Faillissementswet in elk geval geen effect kan hebben gesorteerd voor het aandeel van Barracuda.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d401b010be8bb191fc2a65ce3b0eb90e3648185a7c98e9ca9354d37bc3da011. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d401b010be8bb191fc2a65ce3b0eb90e3648185a7c98e9ca9354d37bc3da011, en de alinea staat in dat document op bytes 34559 tot 35693.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9d401b010be8bb191fc2a65ce3b0eb90e3648185a7c98e9ca9354d37bc3da011 | shasum -a 256