Citaat | Gerechtshof Den Haag 16 juni 2020

Alinea 77 Gerechtshof Den Haag 16 juni 2020

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 16 juni 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2297.

16. Het hof overweegt als volgt. In de inleidende dagvaarding in eerste aanleg heeft appellant in randnummer 18 van zijn dagvaarding gesteld dat hij in mei 1986 met erflater een overeenkomst van maatschap is aangegaan. Voorts geeft hij in randnummer 18 aan dat op 30 april 1997 de overeenkomst van maatschap tussen hem en erflater is ontbonden. Voorts verwijst appellant in zijn memorie van grieven, en wel in het historisch overzicht, naar de overeenkomst van maatschap. Tevens verwijst appellant in zijn toelichting op grief 1 expliciet naar het arrest van de Hoge Raad 13 februari 2004 NJ 2004/653. In dit standaard arrest van de Hoge Raad was eveneens sprake van een maatschap tussen de vader en de zoon. Ook in deze zaak hadden de vader en zoon afspraken gemaakt in de overeenkomst van maatschap met betrekking tot: a) wat ingebracht zou worden b) hoe de goederen gewaardeerd moeten worden in het geval één van de vennoten de onderneming zou voortzetten. In die zaak moest worden gewaardeerd naar de agrarische gebruikswaarde voor de veehouderij. De Hoge Raad heeft toen onder meer overwogen: “In een dergelijk geval is, zoals het hof blijkens zijn oordeel dat bij het melkquotum moet worden uitgegaan van de agrarische waarde ten aanzien van dat vermogensbestanddeel wél heeft onderkend (rov. 4.27), niet beslissend dat de vennootschapsstatuten alleen de onroerende zaken noemen als vermogensbestanddelen die tegen agrarische waarde gewaardeerd moeten worden. In de eerste plaats zal mede in aanmerking genomen moeten worden a) dat ook naar het in 1991 geldende recht de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten in een gemeenschap worden beheerst door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, die in het algemeen in de weg staan aan een waardering die voortzetting van een (nog juist lonend) bedrijf onmogelijk maakt en b) dat het steeds de bedoeling van de beide vennoten (eiser en zijn moeder) is geweest dat een van hen (eiser) het bedrijf na de ontbinding van de vennootschap zou kunnen voortzetten tegen voldoening van een vergoeding waarbij exploitatie van het bedrijf nog juist lonend was. Daarnaast dient de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten te worden meegewogen. Deze wordt in dit geval gekenmerkt door het feit dat het hier gaat om de samenwerking in het kader van een in familieverband uitgeoefend melkveebedrijf waarin eerst de vader, nadien (vanaf omstreeks 1962) de vader en eiser (met ingang van 1 januari 1974 als vennoten), en vervolgens (vanaf 1983) eiser en, zij het in aanmerkelijk mindere mate, zijn moeder activiteiten hebben ontplooid. Voor zover het hof een en ander heeft miskend, geeft zijn hier aan de orde zijnde oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting; voor zover het dat niet heeft gedaan is dit oordeel zonder nadere, door het hof niet gegeven motivering, onbegrijpelijk. De onderdelen I.2.3 tot en met I.2.6 slagen. Onderdeel I.2.7 daarentegen faalt, nu het berust op het onjuiste uitgangspunt dat het gegeven dat de onroerende zaken gewaardeerd dienen te worden tegen agrarische waarde zonder meer in de weg staat aan het hanteren van een andere waarderingsmaatstaf bij de overige vermogensbestanddelen.”.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/080f24a9ca23650861775616f08e237f669a93812ebe5bf2fc25d348119f10df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 080f24a9ca23650861775616f08e237f669a93812ebe5bf2fc25d348119f10df, en de alinea staat in dat document op bytes 26726 tot 29920.