Citaat | Gerechtshof Den Haag 2 december 2020
Alinea 29 Gerechtshof Den Haag 2 december 2020
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 2 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2349.
13. Naar volgt uit de derde volzin van artikel 1, eerste lid, van het EP bij het EVRM, tasten de bepalingen van dat artikellid op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om de wettelijke regels toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren. De belastingrenteregeling is een maatregel in de hier bedoelde zin. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens moet een dergelijke maatregel een ‘fair balance’ waarborgen tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de individuele fundamentele rechten, waaronder het in artikel 1 van het EP bij het EVRM gegarandeerde recht. Bij de beoordeling of aan dit vereiste is voldaan komt de nationale wetgever een ruime beoordelingsmarge toe. Uit de wetsgeschiedenis van de belastingrente maakt de rechtbank op dat de wetgever de systematiek van de belastingrente heeft willen vereenvoudigen en zoveel mogelijk heeft willen voorkomen dat aan belastingplichtigen belastingrente in rekening wordt gebracht indien zij een juiste aangifte indienen (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5364, onderdelen 4.10 tot en met 4.12). Hiertoe heeft de wetgever de aanvang van de termijn waarover de belastingrente wordt berekend, verlegd van 1 januari naar 1 juli na afloop van het kalenderjaar (zes maanden later) en wordt de termijn beperkt indien bij het opleggen van de aanslag de aangifte in zijn geheel wordt gevolgd. Daarnaast heeft de wetgever bewust gekozen om het rentepercentage te koppelen aan de wettelijke rente met als minimum 4%. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever op het niveau van de regelgeving is gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge. Zijn beoordeling is niet evident van redelijke grond ontbloot. Het gehanteerde rentepercentage is voorts op zichzelf beschouwd geen buitensporige last. Dat in dit individuele geval sprake zou zijn van een buitensporige last volgt ook niet uit het door [belanghebbende] aangegeven belastbare bedrag en haar vermogen, zoals dat blijkt uit de stukken. Andere bijzondere omstandigheden die zouden maken dat in dit geval sprake is van een buitensporige last, zijn niet gebleken. Ook het subsidiaire standpunt van [belanghebbende] faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcea8e9a61cae50fffa084c7d572384a06f0e7ef7943fe8ededab8cbb6e158a4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcea8e9a61cae50fffa084c7d572384a06f0e7ef7943fe8ededab8cbb6e158a4, en de alinea staat in dat document op bytes 15789 tot 18202.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bcea8e9a61cae50fffa084c7d572384a06f0e7ef7943fe8ededab8cbb6e158a4 | shasum -a 256