Citaat | Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020
Onder 5.16 Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020
Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:26.
Hier doet niet aan af wat de Staat overigens heeft aangevoerd in verband met deze grief. Het verweer dat uit artikel 14.11, eerste lid onder g van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 volgt dat schippers maximaal 3 x 24 uur in de overnachtingshaven mogen liggen, en dat deze bepaling zich ertegen verzet dat Kerkewaard haar rechten uit het vonnis van 27 november 1996 op dit punt uitoefent, miskent de strekking van deze bepaling. Deze bepaling stelt een maximum aan de tijd dat schepen in de overnachtingshaven mogen liggen. Uit deze bepaling volgt niet dat schepen 3 x 24 uur in de overnachtingshaven moeten kunnen liggen. De door de rechtbank Den Haag in het vonnis van 27 november 1996 uitgesproken veroordeling is dus niet in strijd met het Rijnvaartpolitiereglement. Daarbij komt dat als de Staat meent dat het vonnis van 27 november 1996 in strijd is met het Rijnvaartpolitiereglement, hij dat in een rechtsmiddel gericht tegen dat vonnis aan de orde moet stellen. Dat heeft de Staat nagelaten, zodat in deze procedure het vonnis van 27 november 1996 als uitgangspunt geldt. Hierop stuit ook het verweer van de Staat af dat het publiek belang vergt dat schippers 3 x 24 uur in de overnachtingshaven moeten kunnen blijven liggen. Daarnaast valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom het publiek belang een ligtijd van 3 x 24 uur zou vergen. Verder heeft de Staat aangevoerd dat Kerkewaard geen belang heeft bij de nakoming van deze veroordeling, omdat zij er geen enkel nadeel van ondervindt als schippers 3 x 24 uur in de overnachtingshaven blijven liggen. Dat verweer faalt eveneens. De rechtbank heeft het belang van Kerkewaard bij de nakoming van artikel 1 van de overeenkomst reeds in aanmerking genomen in een eerder tussenvonnis van 16 oktober 1991 dat aan het vonnis van 27 november 1996 vooraf is gegaan. Daarin overweegt de rechtbank dat Kerkewaard voldoende belang heeft bij de nakoming van deze verplichting, omdat zonder nakoming de overnachtingshaven veel drukker en voller is dan Kerkewaard mocht verwachten en daardoor de privacy en de rust in de haven en het aanliggende industrieterrein in vergaande mate wordt aangetast en de waarde van het terrein devalueert (vgl. rov. 10.5 van het tussenvonnis). De Staat heeft niet aangevoerd dat deze overweging op een kennelijke misslag berust of dat zich nieuwe feiten hebben voorgedaan waardoor nu anders over het belang bij de nakoming van deze verplichting moet worden geoordeeld. Ten slotte faalt ook het verweer van de Staat dat Kerkewaard haar rechten heeft verwerkt door de aanwezigheid van het bord met de tekst “ ligtijd maximaal 3 × 24 uur ” te dulden. Voor rechtsverwerking is meer nodig dan het enkele dulden van de aanwezigheid van dit bord gedurende een zekere periode.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f41b484a7cf37a4e9b52a423553041ed4f5a3421fdbfce08d9602c69bae0ea38. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f41b484a7cf37a4e9b52a423553041ed4f5a3421fdbfce08d9602c69bae0ea38, en de alinea staat in dat document op bytes 45663 tot 48489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f41b484a7cf37a4e9b52a423553041ed4f5a3421fdbfce08d9602c69bae0ea38 | shasum -a 256