Citaat | Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020

Onder 5.18 Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:26.

Omdat het hof een dwangsom zal verbinden aan de nakoming van het vonnis van 27 november 1996, moet de voorwaardelijke reconventionele vordering van de Staat worden beoordeeld. De Staat vordert om voor recht te verklaren dat artikel 1 van de overeenkomst zo komt te luiden dat schepen gedurende maximaal drie opeenvolgende dagen in de overnachtingshaven mogen blijven liggen, zoals vastgelegd in artikel 14.11 van het Rijnvaartpolitiereglement 1995. Deze vordering stuit af op hetgeen het hof hiervoor in 5.16 heeft overwogen omtrent de strekking van genoemd artikel 14.11. Het hof zal de Staat als de in het ongelijk gestelde partij voordelen in de proceskosten in reconventie. Het hof zal bepalen dat de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is als de proceskosten niet tijdig worden voldaan. Voor een veroordeling tot betaling van de wettelijke handelsrente zoals gevorderd door Kerkewaard bestaat geen wettelijke grondslag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f41b484a7cf37a4e9b52a423553041ed4f5a3421fdbfce08d9602c69bae0ea38. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f41b484a7cf37a4e9b52a423553041ed4f5a3421fdbfce08d9602c69bae0ea38, en de alinea staat in dat document op bytes 49142 tot 50106.