Citaat | Gerechtshof Den Haag 25 februari 2020

Onder 8.5. Gerechtshof Den Haag 25 februari 2020

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 25 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:751.

12. Zoals hierboven (6.2. sub e) vermeld, kan degene jegens wie een machtiging tot gijzeling wordt gevorderd, daartegen verweer voeren in de procedure bij de kantonrechter, bijvoorbeeld door een (met stukken) onderbouwd beroep op betalingsonmacht te doen. Tegen de machtiging van een kantonrechter staat geen rechtsmiddel open. Op grond van de leer van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen moet de civiele rechter uitgaan van de rechtmatigheid van een verleende machtiging. Voorts heeft de kortgedingrechter de mogelijkheid om op grond van (zeer) bijzondere omstandigheden een dreigende of reeds aangevangen gijzeling (verder) te verbieden. De Staat merkt terecht op dat de praktijk uitwijst dat een kort geding op (zéér) korte termijn kan plaatsvinden, zodat de rechtmatigheid van een dreigende of net aangevangen gijzeling snel ter discussie kan worden gesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ae75acbecbdb7117ff0378ddf4efa71c8819a0dbd3270ff02ea238c32ee0b7d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ae75acbecbdb7117ff0378ddf4efa71c8819a0dbd3270ff02ea238c32ee0b7d, en de alinea staat in dat document op bytes 36668 tot 37550.