Citaat | Gerechtshof Den Haag 31 maart 2020

Alinea 69 Gerechtshof Den Haag 31 maart 2020

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:784.

21. Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Wet OB vindt de aftrek van omzetbelasting plaats overeenkomstig de bestemming van de goederen en diensten op het tijdstip waarop de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel op het tijdstip waarop de belasting wordt verschuldigd. Niet in geschil is dat in onderhavig tijdvak ter zake van de bouwkosten van de MFA € 9.822 aan omzetbelasting in rekening is gebracht, zodat [de Inspecteur] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in onderhavig tijdvak slechts recht op aftrek bestaat voor dat bedrag. Van een onjuiste interpretatie van artikel 15, vierde lid, van de Wet OB is geen sprake (vgl. HvJ 29 april 2004, Terra Baudedarf, C-152/02, ECLI:EU:C:2004:268). Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in de tweede volzin van dit artikelonderdeel, aangezien [belanghebbende] de MFA niet in gebruik heeft genomen, maar dit vóór de eerste ingebruikname heeft verkocht. [Belanghebbende] heeft, tegenover de weerspreking door [de Inspecteur], niet aannemelijk gemaakt dat dienaangaande afspraken zouden zijn gemaakt met [de Inspecteur]. Het voorgaande betekent dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 9.822.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/692d7aeb2126179746f30073c46e5e877be58fefb8e73f8dd4a5f6785eec39a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 692d7aeb2126179746f30073c46e5e877be58fefb8e73f8dd4a5f6785eec39a2, en de alinea staat in dat document op bytes 28464 tot 29678.