Citaat | Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2022

Onder 4.2 Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2022

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2863.

De rechtbank heeft in haar in hoger beroep bestreden vonnis van 19 maart 2020 de vorderingen van [appellant] afgewezen. De rechtbank overwoog, samengevat, het volgende. Voor wat betreft de (in het eerdere fiscale beroep gedane) uitspraak van de rechtbank is niet voldaan aan het vereiste uit het Köbler -arrest, dat aansprakelijkheid voor onrechtmatige rechtspraak alleen betrekking kan hebben op een rechterlijke instantie die in laatste instantie rechtspreekt (rov. 2.14). Wat betreft de uitspraak van de Hoge Raad zijn er geen concrete aanknopingspunten in de rechtspraak van het HvJEU te vinden die tot de conclusie moeten leiden dat de forensenbelasting een belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer oplevert. Om die reden kan dus ook niet worden gezegd dat de Hoge Raad het Unierecht kennelijk heeft geschonden (rov. 2.23). Op grond van de rechtspraak van het HvJEU is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter om de noodzaak van het stellen van prejudiciële vragen te beoordelen (rov. 2.12). Het oordeel van de Hoge Raad om de zaak met verwijzing naar art. 81 lid 1 RO af te doen, impliceert dat één van de situaties zich voordoet waarin van het stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien, te weten dat prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de oplossing van het geschil dan wel dat deze kunnen worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het HvJEU of dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop deze vragen over de betreffende Unierechtelijke rechtsregel kunnen worden opgelost (rov. 2.17). De Hoge Raad heeft kennelijk geen aanleiding gezien om tot prejudiciële verwijzing naar het HvJEU over te gaan en daarmee heeft de Hoge Raad niet gehandeld in strijd met de op hem rustende verplichtingen onder art. 19 VEU en/of art. 267 VWEU (rov. 2.21). In het Unierecht is geen verplichting opgenomen voor een in laatste instantie rechtsprekende rechter om nader toe te lichten welke uitzondering op de verplichting onder art. 19 VEU en/of art. 267 VWEU in het concrete geval van toepassing is (rov. 2.18). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in de zaak Baydar geoordeeld dat de afdoening van zaken met een verkorte motivering op de voet van art. 81 lid 1 RO niet in strijd is met art. 6 EVRM, ook niet als in het cassatiemiddel wordt voorgesteld prejudiciële vragen te stellen (rov. 2.19). Overigens heeft [appellant] in zijn cassatieschriftuur geen klacht opgeworpen over het nalaten van de rechtbank prejudiciële vragen te stellen en heeft hij niet, althans onvoldoende expliciet, opnieuw verzocht om de zaak prejudicieel te verwijzen naar het HvJEU (rov. 2.22).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f6fac0c0616593fcd9d9c241f0bfa443ceab6ca4f93926a5e744e0d7daf7de0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f6fac0c0616593fcd9d9c241f0bfa443ceab6ca4f93926a5e744e0d7daf7de0, en de alinea staat in dat document op bytes 11506 tot 14307.