Citaat | Gerechtshof Den Haag 1 maart 2022

Onder 6.6 Gerechtshof Den Haag 1 maart 2022

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 1 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:331.

Hier stuiten grieven 1 tot en met 3 van [appellant] op af. Deze grieven gaan ten onrechte uit van de veronderstelling dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van acht jaar is geëindigd op 20 april 2020. De tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf eindigt in het systeem van v.i. bij uitspraken gedaan vóór 1 juli 2021 niet op de eerstmogelijke datum van v.i. als de officier van justitie tijdig een vordering uitstel of achterwege laten v.i. heeft ingediend, maar loopt in dat geval op grond van artikel 6:6:8 lid 5 (oud) Sv door totdat op die vordering is beslist. Zolang is dus sprake van detentie op grond van de oorspronkelijke veroordeling. Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, voorziet artikel 6:6:8 lid 5 (oud) Sv niet in een zelfstandige grondslag voor detentie, maar in het voortduren van de detentie op grond van de oorspronkelijke veroordeling indien een vordering achterwege laten v.i. wordt gedaan. Deze situatie valt niet gelijk te stellen met een voorlopige hechtenis. Die berust immers niet op een onherroepelijke veroordeling door de strafrechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f9ebecfa2c0f23f454567bfce4739d621d3ce98d159dc1d1b660a164dbad4a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f9ebecfa2c0f23f454567bfce4739d621d3ce98d159dc1d1b660a164dbad4a8, en de alinea staat in dat document op bytes 37465 tot 38567.