Citaat | Gerechtshof Den Haag 15 maart 2022

Onder 3.3. Gerechtshof Den Haag 15 maart 2022

Een alinea uit Gerechtshof Den Haag 15 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:700.

19. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het vorenstaande niet leidt tot een situatie van litispendentie in de zin van artikel 12 Rv, omdat vast is komen te staan dat op het moment van het inleiden van de onderhavige procedure – bij inleidende dagvaarding van 21 juli 2020 – de Iraanse rechter op 16 juni 2019 reeds had beslist op de vordering van de vrouw met betrekking tot de uitgestelde bruidsgave en deze beslissing bovendien onherroepelijk was geworden. Het hof verwijst in dit verband naar de stelling van de man in zijn akte uitlaten in incident d.d. 13 januari 2021, nr. 2, dat hij tegen deze Iraanse beslissing ‘geen verzet of beroep’ heeft ingesteld. Deze stelling is door de vrouw onweersproken gebleven. Dit betekent dat ten tijde van het – bestreden – eindvonnis van 14 april 2021 van de rechtbank geen sprake was van litispendentie , omdat de Iraanse procedure op dat moment niet meer aanhangig was en had geleid tot een onherroepelijke beslissing. De rechtbank had zich derhalve niet onbevoegd kunnen verklaren op grond van artikel 12 Rv. De zaak had inhoudelijk behandeld moeten worden, waarbij de man ervoor had kunnen kiezen om zich op de Iraanse beslissing te beroepen bij wijze van inhoudelijk verweer tegen de vordering van de vrouw.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bdd20ec9f27d7041223e637273a672a522670128f6419172664d353e424a15a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bdd20ec9f27d7041223e637273a672a522670128f6419172664d353e424a15a, en de alinea staat in dat document op bytes 18189 tot 19552.